Het gebeurt me niet vaak, maar deze week heb ik tranen van m’n wangen moeten vegen bij het lezen van een boek: ’t Hooge Nest, geschreven door Roxane van Iperen.

Het verhaal in het kort: Van Iperen kocht een huis en ontdekte bij de verbouwing allemaal luiken. De vorige eigenaresse wist te vertellen dat er waarschijnlijk onderduikers hebben gezeten. Ze ging op onderzoek uit ontdekte dat het huis inderdaad een onderduikadres was. De belangrijkste onderduikers waren de zussen Janny en Lien Brilleslijper. Zij bewonen met hun gezinnen en ouders als eerste ’t Hooge nest en tot het moment dat ze opgepakt worden zetten ze de deur open voor vele anderen. Verborgen tussen bos en hei en tegelijkertijd midden tussen de NSB-ers is het huis, voor even, een vrijplaats voor mensen die zich verder nergens meer vrij kunnen bewegen.

Van Iperen verweeft in haar boek de geschiedenis van de familie Brillenslijper met de harde werkelijkheid van de vervolging en moord op joden in de Tweede Wereldoorlog. Daarmee krijgen de feiten waarmee ik als scholier ben volgestopt een hele andere dimensie. Doordat Van Iperen in het hoofd kroop van Janny en Lien werd ik voor het eerst sinds het lezen van Anne Frank’s dagboek meegezogen in de benauwde sfeer van de oorlog. En meer dan dat. Waar Anne’s dagboek ophoudt, gaat ’t Hooge Nest verder. Spoiler alert: de zussen Brilleslijper leerden de zussen Frank kennen in Westerbork.

Het boek heeft me diep geraakt. Het was vrolijk, het was benauwend, het was stoer, het was angstig, het was vertederend, het was gruwelijk. Zoals de oorlog voor de zussen was. Zoals het voor zovelen was. Constant onzeker.

In één hoofdstuk heeft Van Iperen een nieuwsbericht overgenomen uit de Storm, het weekblad van de SS, geschreven na de laatste razzia’s in Amsterdam in het voorjaar van 1943. Ik kan mij niet herinneren dat ik dergelijke tekst ooit eerder heb gelezen en ik walgde van de woorden. Hoe je zinnen kunt vormen en opschrijven waarmee je je dankbaarheid uit dat zoveel joden en jodinnen afgevoerd ziet worden, omdat ze al eeuwen “de beste stukken voor zichzelf wisten te veroveren” en ze zomaar voor arische mensen door konden gaan en dus hard op weg waren een “net blond jodentype met bijna arisch gezicht te kweeken” om vervolgens te eindigen met de woorden “het afscheid is ons niet zwaar gevallen”, ik kan er met mijn hoofd niet bij.

Door de werkelijkheid nog even voor m’n voeten te werpen is Van Iperen er heel goed in geslaagd om mij niet te laten vergeten. Om mij niet te laten vergeten hoe onuitstaanbaar uitgekiend het plan van de nazi’s was om de joden uit te roeien. Om mij niet te laten vergeten hoe gemakkelijk het is om mensen te laten geloven dat een ander minder waard is. Om mij niet te laten vergeten met welk gemak in Nederland het plan van de nazi’s werd uitgevoerd. Om mij niet te laten vergeten dat niet iedereen zich als een mak schaap liet afvoeren. Om mij niet te laten vergeten hoe onverwoestbaar én hoe kwetsbaar een mensenlijf kan zijn. Om mij niet te laten vergeten dat vrouwen zich net zo hard verzetten als mannen. Om mij twee namen nooit meer te laten vergeten:

Janny Brandes-Brilleslijper

Lien Brilleslijper