Ik zit met Dochter aan tafel. De Man is later terug dan verwacht, dus we eten met z’n tweeën. Ik heb nasi gekookt, een gerecht dat niet heel erg gewaardeerd wordt door Dochter. Vandaar dat zij een bord rijst met gehaktballetjes van gister en rauwe groente voor zich heeft. Ik mix een vork nasi met pindasaus op m’n bord. Dochter kletst honderduit.

Op enig moment begint ze te verzinnen wat pas een grote hap is. Het is een spelletje dat ze de afgelopen weken heeft bedacht. De grootste hap die ze kan verzinnen: een heel huis. Dan is het tijd voor een nieuw spelletje. Ze vraagt wat ik aan het eten ben. Natuurlijk zeg ik dat nasi eet. “Neeheeee,” giebelt ze. Het is voor mij een hint dat ik iets anders moet verzinnen. Ik begin met een voor de hand liggende suggestie.

Ik: “Poep. Ik eet poep.”

Dochter: “Neeheee, bah!”

Ik: “Eh, ik eet een konijn.”

Dochter: “Nee, dat is vachtig.”

Ik: “Eh, een telefoon. Ik eet een telefoon.”

Dochter: “Dat is knoppig.”

Heerlijk. Als je je nog niet aan de conventies van de taal hoeft te houden verzin je de mooiste woorden. Ik moet me ook maar eens wat minder aan de conventies houden.