Het is augustus, achttien jaar geleden. Een medewerker van het asiel doet een deur open en ik zie tal van kittens. Sommige wat groter, sommige wat kleiner. Zwart. Zwart-wit. Wit-zwart. Grijs-wit. Sommige komen nieuwsgierig op de open deur af. Anderen lopen verschrikt richting de hoeken van de ruimte. Het is er vrij donker en ik ruik een mengeling van natgeworden beestenvacht, schoonmaakmiddel en kattenbaklucht. Niet heel erg aangenaam. De Man (toen waren we ook al een hecht stel) en ik gaan door onze knieën. Eenmaal op minder bedreigende hoogte komen er wat kittens op ons afgelopen. Alsof ze willen zeggen, ik vind jou wel leuk, mag ik met jou mee? Eén van de jongste van het stel komt bij mij zitten en laat zich aaien. Van top tot teen zwart. Ik ben er eigenlijk wel uit. Deze past bij ons. Na een paar minuten is het katje klaar met aaien en loopt gemoedelijk naar de linkerkant van de kamer en gaat met een touwtje spelen. Bij de Man klimt een andere kitten op schoot. Al wat groter, want al een maand of drie, vier oud. Het is een slordig afgewerkte poes. Ik zie een wit vlekje op haar rug. Even denk ik dat het een beetje verf is, maar het is toch echt een wit plukje haar. Om haar neus voor de helft een zwarte vlek. Voortenen wit, achterpoten wit, buik wit, en dus dat ene plekje op de rug wit. Verder heeft ze zwart haar. De Man is verkocht. Deze hangt zo lekker rustig op schoot. Nou vooruit. De eerste kat heb ik helemaal zelf uitgezocht, dit keer mag hij kiezen. We nemen een optie op het beest, slapen er nog een nachtje over en hakken dan de knoop door. Een dag later haal ik haar op. De kat die later Lunel wordt genoemd is onze nieuwe huisgenoot.

Lunel, 29 oktober 2020

Vandaag, 29 oktober 2020. Voor een zomerjas is het eigenlijk aan de koude kant en de wolken staan op het punt te gaan regenen. Ik zit naast de Man voorin de auto. Op mijn schoot een grijze handdoek, net schoon uit de kast gepakt, en daarbovenop Lunel. Ze ademt sinds anderhalve dag heel intens. Af en toe doet ze haar bek zelfs open, alsof ze naar lucht aan het happen is. Katten krijgen geen lucht binnen via de mond. Ik belde een paar uur geleden de dierenarts met de vraag wanneer het mogelijk was haar een spuitje te geven. Om één uur konden we nog terecht. Zouden ze in normale tijden een huisbezoek brengen, nu is het aan ons om naar de praktijk te komen. Ach, in Enschede ging het ook zo. Zonder corona epidemie. Dus zit ik nu in de auto met Lunel op schoot. Ze verzet zich nauwelijks. Ze zoekt alleen de beste positie om op mijn schoot te liggen. Ze draait haar kop wel richting het raam. Zien en horen deed ze al een tijd slecht, maar verandering van licht neemt ze nog wel waar. Waarschijnlijk voelt ze meer dat ze rijdt dan dat ze het ziet. Ik weet dat het haar laatste keer in de auto is. Zij ook?

Eenmaal bij de praktijk knuffelt de Man haar nog even voor het laatst. Ik doe mijn mondkapje voor, doe de autodeur open en stap met Lunel in mijn armen uit. Bij de voordeur van de praktijk bel ik aan. Protocol is dat er maar een persoon mee naar binnen gaat. De Man parkeert de auto en zal buiten blijven wachten. Eenmaal binnen wordt Lunel onrustig. Ze ruikt vast dat ze op die plek is waar je als kat niet wilt zijn. Ik moet nog even wachten tot de arts klaar is met de vorige klant en neem plaats op een klein donkergroen bankje. Even lijkt Lunel weg te willen springen, maar ik probeer haar weer goed neer te leggen en aai haar met aandacht. Ze geeft zich eraan over. Dan mag ik naar binnen. Ik zeg dat het waarschijnlijk klaar is voor Lunel, maar dat ik het ook moeilijk vind. Is het echt voorbij? Vandaag leek ze weer wat actiever dan gisteren. Had zichzelf ’s nachts nog de trap naar onze slaapkamer opgesleept. De arts luistert even naar haar hart en longen. Ze heeft het inderdaad erg benauwd en haar hart gaat als een razende te keer. ‘Je bent zeker niet te vroeg,’ bevestigt de arts. Ze legt een dikke, zachte handdoek neer op de behandeltafel. Lunel loopt er zelf meteen op af en gaat erop liggen. ‘Nu maar doen dan?’ Ik bevestig met tranen in mijn ogen. Ze vraagt of ik weet hoe het gaat. Dat weet ik nog wel. Ik heb het eerder moeten ondergaan met een konijn en onze eerste kat, Chablis. Zou Lunel ooit nog aan Chablis gedacht hebben sinds haar dood? De arts geeft eerst een verdoving en dan het middel om het hart te stoppen. Zo gaat het nu ook. De arts spuit de verdoving in. Dan gaat de deur van de behandelkamer open. De Man komt binnen. Hij werd toch even binnengelaten door een collega. De arts verlaat de kamer en geeft ons een minuut of vijf alleen tot het middel goed is ingewerkt. Samen knuffelen we Lunel tot ze slaapt. Haar lichaam geeft af en toe nog een schokje. Ik weet nu zelf ook zeker dat dit nodig was. Dan komt de arts weer terug en spuit het dodelijke middel in. Binnen een paar seconden zie ik de intense adem van Lunel verdwijnen. Ze is dood.

Lunel, 29 oktober 2020.

Eenmaal weer in de auto komt de emotie pas echt los. Ik heb Lunel ruim achttien jaar als huisgenoot gehad. Dat is bijna mijn halve leven. Ik was nog student toen de Man en ik haar uit het asiel adopteerden. Inmiddels ben ik een veertiger. Tussen toen en vandaag zit een hele boel leven waar Lunel voor een groot gedeelte getuige van is geweest. We hebben haar twee keer verkast naar een ander huis. In haar herfstjaren hebben we haar eerst opgezadeld met een baby en toen ook nog verplaatst naar een nieuwe stad met minder groen om door te struinen. Die baby is nu een kleuter. Een intense band tussen die twee is er nooit ontstaan, wederzijds respect en acceptatie wel.

Ik denk even terug aan die eerste verhuizing van Lunel. Chablis was al overleden, en Shiraz was er inmiddels bij gekomen. De match tussen deze twee katten leek eerst goed, maar zodra Shiraz volwassen was vond Lunel het vervelend dat ze maar bij haar in huis bleef wonen. Tijdens de overgang tussen het ene huis en het andere liet ik beide katten wennen aan het nieuwe huis, terwijl wij aan het schilderen waren. Uiteindelijk werd de onderlinge verhouding beslecht door een onderverdeling te maken in het huis. Lunel bewoonde de begane grond en onze slaapkamer, Shiraz kreeg de logeerkamer en zolderverdieping, tevens onze werkkamer, toebedeeld.

In de auto besef ik me hoeveel leven Lunel, de Man en ik samen hebben geleefd. Nu deel ik de rest dus niet meer met Lunel. Je weet dat van tevoren. Na twintig jaar is het leven van een kat toch echt wel geleefd. Maar weten komt zonder de bagage van het beleven.

Eenmaal thuis graaf ik door mijn fotoarchief. Ik graaf niet alleen terug in het leven van Lunel, ik graaf terug in mijn eigen leven. De verschillende digitale camera’s die ik gebruikte om foto’s van haar te maken. Een exponentiële toename in het aantal foto’s dat ik maakte sinds de aanschaf van een iPhone. De abrupte overgang naar een overdaad aan babyfoto’s. De sneeuw die sommige jaren toch echt wel viel. De tuin van het vorige huis. De reizen die de Man en ik maakten, terwijl Lunel en Shiraz goed verzorgd werden bij mijn ouders thuis.

Het huis waar ik geboren ben is ook een tweede thuis voor mijn katten. Vele zomerweken bracht Lunel door in het ruime huis met extra grote tuin vol met vlinders in de vlinderstruik om te vangen. Dat katten gewoontedieren zijn bleek elke keer als ze hun reismand uit mochten. Lunel sprong eerst op de vensterbank om te checken of de brokken wel klaar stonden op de plek waar het hoorde. Shiraz spurt altijd eerst naar het kattenluikje om, op grote afstand van Lunel, de tuin in te struinen.

Ik denk aan al die eigenaardigheden die Lunel Lunel maakten. Dat rustige poesje uit het asiel bleek best een bullebakje te zijn. Een schoothanger, zeker, maar ook een slimme durfal. Haar eerste huis was een maisonnet op de derde en vierde verdieping boven een gallerij. De voordeur van de woning zat op de eerste verdieping. Naar buiten via de voordeur mocht ze niet, ze mocht alleen het dakterras op, op de vierde verdieping. Wij kregen op een gegeven een belletje dat iemand onze kat had gevonden. ‘Dat kan helemaal niet, want die van ons zit gewoon boven. Die kan helemaal niet beneden komen’, antwoordde de Man nog. Nou, ze hadden het adreskokertje aan haar halsband open gemaakt en ons telefoonnummer gevonden en gebeld. Wij dus naar beneden en ja hoor, daar zat Lunel. Bevend op de gallerij op de begane grond. Ze was waarschijnlijk naar beneden gevallen. En weer op haar pootjes terecht gekomen. Uiteindelijk had ze een hoektand stuk, waar de dierenarts wat herstelwerk aan moest verrichten, maar dat was het dan ook wel.

Lunel klimt richting het dak waar ze in haar eerste levensjaar vanaf kukelde.

Het zou niet de laatste rekening zijn voor schadeherstel aan Lunel haar lijf. Ergens tijdens het midden van haar leven trof ik Lunel als een zielig hoopje aan op de bank. Ik zag hier en daar bloed op de vloer. Haar lichaamstaal straalde uit dat ik haar niet zomaar mocht aanraken. Ze bleek een flinke wond aan haar poot te hebben. Omdat het weekend was kwamen we in Oldenzaal terecht, bij de paardendokter. Dat hebben we geweten. De tarieven voor paarden in Oldenzaal liggen een stuk hoger dan voor katten in Enschede. De nabehandeling door de eigen dierenarts werd ons niet meer in rekening gebracht. De wond was wel keurig geheeld, maar sinds dat ongeluk kon ze die poot nooit meer recht onder haar zetten als ze zat.

In onze bovenwoning keek Lunel graag vanuit de kleine werkkamer uit het raam naar de daktuin waar ze zelf niet in kon. Daar woonden ook katten. Een witte langharige kat liep met regelmaat onder die werkkamer door via een bruggetje die naar onze gallerij ging. Lunel vloog dan de trap naar de voordeur af om het beest, soms blazend, op te wachten. Ze kon er zelf niet komen, maar ze snapte dat de kat op onze gallerij moest lopen als die uit haar zicht verdween.

Klassieke kat pose

Een deur dichthouden voor Lunel was kansloos. Ze sprong net zo vaak naar de deurklink tot ze deze met haar gewicht uit het slot werkte en open kon duwen, of hengelen met haar poot. Al onze binnendeuren stonden daarom altijd open.

Na een paar jaar opgehokt te zijn in een bovenwoning, kreeg Lunel veel meer vrijheid toen we verhuisden naar een jaren zeventig tussenwoning. Een woning op de begane grond met tuin aan een hofje. Waren de uitjes naar het huis van mijn ouders eerst nog uniek om de tuin (en die van de buren), nu had Lunel permanent een wijk vol groenstroken tot haar beschikking waarin ook nog eens muizen woonden. Heel veel muizen. In het voorjaar en de zomer bracht Lunel bijna elke dag wel een muis mee naar huis. De Man heeft in de loop der jaren heel wat vaardigheid gekregen in het vangen (en vermoorden) van muizen die in de woon-, slaap- of badkamer waren losgelaten door Lunel. Niets zo leuk als een muis in de badkuip loslaten en er zelf vanaf de badrand af en toe een tik tegenaan geven.

Lunel kijkt de tuin in.

Binnen een paar weken na onze intrek in de tussenwoning werden we door de buren van drie huizen verderop vriendelijk verzocht de katten ’s nachts binnen te houden. Lunel maakte er een gewoonte van om bij ze naar binnen te klimmen om daar op het bed te gaan liggen slapen. Door de uitbouw van de woonkamer was het erg eenvoudig ons slaapkamerraam uit te wandelen en via onze uitbouw en die van de buren andere open ramen in te springen. Daar blijken dan bedden te staan waar nog geen andere kat op gelegen heeft. Sinds die tijd lokten we de poezen dus om een uur of tien ’s avonds binnen met een vleesmaaltijd.

Later monteerden we een kattenluik, zodat de dames zelf konden kiezen wanneer ze erop uit wilden. We hielden onze eigen slaapkamerramen ’s nachts dicht. De buren hebben we niet meer gehoord over binnensluipende katten. Het tien uurtje hebben we er altijd in gehouden. Lunel ging met regelmaat in de nacht op pad. Ze was een vaste gast op ons bed, maar meestal om een uur of vier in de ochtend sprong ze eraf om haar ronde te doen. Tegen zessen lag ze dan vaak alweer op de plek die ze een paar uur eerder achterliet.

Toen we uit Enschede vertrokken, met peuter wordende Dochter, voelde ik me schuldig naar Lunel toe. Voor haar was het achteruitgang. Die baby in huis was al flink inschikken. Lunel ging mij, met een vaak huilende baby op de buik, het liefst uit de weg. Ik had ook vaak niet het geduld om met haar te knuffelen of op de bank te hangen zoals we gewend waren. Met een baby die hele dagen aan mij vastgeplakt zat in een draagdoek, was ik allang blij dat ik een half uur even niets op of aan mijn lijf zat. Een kat op schoot verdroeg ik nauwelijks. Bijna een jaar na de komst van het kind gingen we dus ook nog verhuizen. De eigen tuin was welliswaar veel groter, maar publiek groen in de nieuwe straat schaars. De straat werd ook nog eens bevolkt door vele andere katten, die al verworven rechten hadden. Op bejaarde leeftijd was ze een nieuwkomer. In de drieëneenhalf jaar dat ze hier woonde is haar actieradius nooit echt groot geweest.

Favoriete plek in de nieuwe tuin: op de rand van de hoge bloembak. Onder de vlinderstuik natuurlijk.

Anderhalf jaar geleden dachten we al dat we haar kwijt waren. Ze was niet thuis gekomen voor het avondeten. We zijn de straat doorgelopen en hebben geroepen en gefloten, maar ze kwam niet. Na twee dagen en avonden geregeld in de straat roepen gaven we het op. Het was begin februari en heel koud. In de buurtapp Nextdoor hebben we een oproep geplaatst en de gegevens van de chip had ik nog snel even bijgewerkt. Het adres en telefoonnummer uit Enschede stonden nog in de database. Dat bijwerken bleek een goede greep. Maandagochtend belde iemand van de dierenambulance. Ze hadden Lunel gevonden. Mijn hart begon te bonzen. Ze was vast dood. Niet dus. Buren aan het eind van de straat hadden haar het hele weekend rond huis zien struinen. Ze hebben zelf een kat en konden niet zomaar een andere kat binnenlaten. In de buurt whatsapp groep hadden ze wel een oproep gedaan, maar die groep gebruikten wij dus weer niet. Uiteindelijk hebben ze Lunel in de schuur naast de verwarming gelegd en de dierenambulance gebeld. Die konden de chip uitlezen en mijn telefoonnummer bellen. Lunel was de weg kwijt geraakt, drie hofjes verder. Daar had ze nog geen geursporen achter gelaten in de korte periode dat ze hier woonde.

Ik kon haar dus meteen ophalen. Ze leefde. Nog maar net. Zwaar onderkoeld, uitgeput en uitgedroogd. Ik heb haar in de woonkamer onder een deken met kruik gelegd. Een dag lang heb ik het aangekeken. Toen gaf ze een teken dat ze wel wilde drinken en eten. Met moeite sleepte ze een paar pasjes door de kamer. Ik heb haar meegenomen naar de dierenarts. Kon Lunel dit nog wel overleven? De arts heeft haar een zak vol vocht toegediend, wat pijnstillers erin gespoten, krachtvoer meegegeven en me op het hart gedrukt het nog even een paar dagen te geven. En zowaar. Na een week liep Lunel weer rond. Alleen als je met een goed oog keek, kon je zien dat de kracht in haar achterlijf minder was geworden. Dat belette haar niet om nog twee lentes en zomers over de schutting van anderhalve meter hoogte te klimmen om de tuin in en uit te komen als het personeel weer eens te lui was om open te doen.

Een maand geleden.

Een kat is maar een kat. Maar een kat die je achttien jaar als huisgenoot hebt leer je kennen als een karakter. Lunel was onze ouwe taaie. Zoveel kleine dingetjes maakten haar Lunel. Haar hengelende pootje als ze wilde meesnoepen van m’n eten. De manier waarop ze haar lijf languit over mijn benen drapeerde. Haar volhardendheid bij het openen van deuren. De plof van haar pootjes op de keukenvloer als het haar lukte ongemerkt uit de koekenpan de likken. Haar eindeloze knuffelsessies, waarbij ze soms in m’n vingers beet. Hoe ze als een keeper het zachte balletje tegenhield dat ik naar haar toegooide, ons favoriete spelletje toen ze jong was. Hoe ze over de schutting gluurde bij de buren die niet zo gediend waren van katten om te checken of ze veilig verder kon. Haar loopje over het hofje in Enschede, als eigenaar van de buurt. De geur van haar kop en nek. De scheurtjes in haar oor, omdat ze best wel eens het gevecht aan ging, ook al is dat niet poeseigen. En boven alles haar purretje als ik haar even een aai over haar kop gaf.

Een dierbare huisgenoot ben ik kwijt. Ik ga haar slordige witte vlekje ontzettend missen.

Enschede, 2013.